werkloosIk ben kapot. Uitgeput. Gevloerd. Anderhalve maand geleden nam ik afscheid van een programma waar ik als redacteur bijna een decennium voor gewerkt had. Met passie, liefde, volledige inzet, en hoge kijkcijfers als resultaat. Maar voor een klein deel mijn mérite natuurlijk, maar dat mijn bijdrage goed was, daar twijfelde ik niet aan. In dit vak moet je niet bescheiden zijn. Mijn collega’s waren bijna familie van me geworden. Na zoveel jaren samenwerken wisten we alles van elkaar. We hadden samen gelachen, ons aan elkaar geërgerd, maar elkaar ook geholpen als het tegenzat.

Maar ik was een flexwerker. In het begin deed ik geen moeite om een vast contract te krijgen, een vast contract is niet zaligmakend wist ik uit vorige vaste dienstverbanden. En in latere jaren – toen de recessie een feit was en ik als alleenstaande ouder naar zekerheid begon te verlangen – sloegen de bezuinigingen bij de Publieke Omroep toe en was een vast contract geen optie meer. In die jaren werd een verlenging van mijn contract steeds minder vanzelfsprekend en om mij heen vlogen de flexmedewerkers de laan uit.

Ik had voor mezelf een deadline gesteld: als ik tien jaar had volgemaakt, moest ik hier toch echt wegwezen. Uit trots, omdat het steeds pijnlijker werd om tussen overwegend vaste dienstmedewerkers iedere keer weer aan een draadje te moeten bungelen (daar ben ik toch te goed voor?). Maar ook vanuit het besef dat ik verder moest groeien, weer nieuwe doelen nastreven, in beweging komen.

Ik gaf mezelf de anderhalf jaar, die ik dacht nog te hebben, de tijd om na te denken over wat mijn volgende stap zou worden. Ik volgde loopbaansessies – waaronder een inspirerende Persoonlijke Arbeidsmarkt Analyse bij Lars – en sprak met collega’s en coaches uit mijn omgeving. Bovendien ging ik gerichter netwerken dan ik al van nature deed. Ik zegde zelfs een gepland weekendje Parijs af voor een feestje waarvan ik wist dat ik veel potentiële netwerkcontacten tegen zou komen. Tegelijkertijd speelde er stiekem in mijn achterhoofd de gedachte dat dit alles misschien niet nodig was, want ik functioneerde immers goed, ik was nog steeds gepassioneerd voor het programma, ik paste in het team en het programma bleef voorlopig nog wel bestaan. Mijn werkgever zou er vast iets op vinden, zodat hij me kon blijven inhuren.

Maar dat bleek niet het geval. Ineens had ik niet anderhalf jaar, maar een half jaar de tijd, dan moest ik onverbiddelijk weg. En dat besliste niet ik, dat werd voor mij beslist. Toch echt een ander gevoel dan ik in mijn planning had. Er moest ver-jong-d en ver-nieuw-d worden in de redactie. Aan beide criteria voldeed ik niet meer. Ik kreeg nog één contractverlenging, tot het eind van het jaar. In de steek gelaten voelde ik me in de maanden die daarop volgden. Tijdens mijn vakantie had ik nachtmerries over dat thema en op het werk een eindeloos melancholisch en verdrietig gevoel als er plannen gemaakt werden voor het nieuwe jaar. En ‘on top of all’ kwam als een boemerang het ongemakkelijke gevoel van mijn collega’s op mijn bordje terug. Wat moest ik met al die meelevende reacties? Geef me jouw baan, daar heb ik tenminste wat aan! dacht ik opstandig. Het was allemaal zo oneerlijk….

Wordt vervolgd.

Een boventallige